HET VOLHARDEND GEBED (1)Hij leerde hun in een gelijkenis dat zij steeds moesten bidden en daarin niet versagen.(2)Hij zei: 'Er was eens in een zekere stad een rechter, die zich om God noch gebod bekommerde.(3)Er was ook een weduwe in die stad die herhaaldelijk bij hem kwam met het verzoek: Verschaf mij recht ten opzichte van mijn tegenstander.(4)Een tijdlang wilde hij niet, maar daarna zei hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij om God noch gebod,(5)toch zal ik die weduwe recht verschaffen om niet langer geplaagd te worden door haar eindeloze bezoeken.'(6)En de Heer sprak: 'Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt!(7)Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen en naar wie Hij genadig luistert?(8)Ik zeg u: Hij zal hun spoedig recht verschaffen. Maar: zal de Mensenzoon bij zijn komst het geloof op aarde vinden?”FARIZEEËR EN TOLLENAAR (9)Met het oog op sommigen, die overtuigd van eigen gerechtigheid, de anderen minachtten, vertelde Hij de volgende gelijkenis.(10)'Twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden; de een was een farizeeër en de andere een tollenaar.(11)De farizeeër stond met opgeheven hoofd en bad bij zichzelf als volgt: God, ik dank u dat ik niet zo ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers, of ook als die tollenaar daar.(12)Ik vast tweemaal per week en geef tienden van al mijn inkomsten.(13)Maar de tollenaar bleef op een afstand en wilde zelfs niet zijn ogen opheffen naar de hemel; maar hij klopte zich op de borst, en zei: God wees mij, zondaar, genadig.(14)Ik zeg u: deze ging gerechtvaardigd naar huis en niet die andere, want al wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden.'LAAT KINDEREN BIJ MIJ KOMEN (15)De mensen brachten ook de kinderen bij Hem met de bedoeling, dat Hij ze zou aanraken. Bars wezen de leerlingen ze echter af, toen ze dit zagen.(16)Maar Jezus riep ze bij zich, terwijl Hij zei: 'Laat die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen, want aan hen die zijn zoals zij, behoort het Koninkrijk Gods.(17)Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.'DE RIJKE JONGEMAN (18)Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: 'Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?'(19)Jezus antwoordde: 'Waarom, noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.(20)Ge kent de geboden: Gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, eer uw vader en uw moeder.'(21)Hij gaf Hem ten antwoord: 'Dat alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.'(22)Toen Jezus dit hoorde, zei Hij tot hem: 'Toch ontbreekt u één ding: verkoop alles wat ge bezit en deel het uit aan de armen; daarna zult ge een schat bezitten in de hemel. En kom dan terug om Mij te volgen.'(23)Maar toen hij dat hoorde, was hij zeer ontdaan, want hij was heel rijk.(24)Toen Jezus dit zag, zei Hij: 'Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!(25)Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan, dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen.'(26)De mensen die dit hoorden vroegen: 'Wie kan dan nog gered worden?'(27)Hij sprak: 'Wat niet in de macht der mensen ligt, ligt wel in die van God.'(28)Daarop zei Petrus: 'Zie, wij hebben ons eigendom prijsgegeven om U te volgen.'(29)Jezus antwoordde: 'Voorwaar Ik zeg u: er is niemand die huis of vrouw, broers, ouders of kinderen omwille van het Rijk Gods heeft prijsgegeven,(30)of hij ontvangt het in deze tijd dubbel en dwars terug en in de toekomstige wereld het eeuwig leven.'JEZUS IN JUDEA; DERDE LIJDENSVOORSPELLING (31)Hij nam de twaalf terzijde en sprak tot hen: 'Wij trekken nu op naar Jeruzalem. Daar zal aan de Mensenzoon alles vervuld worden, wat door de profeten geschreven is.(32)Hij zal aan de heidenen worden overgeleverd en bespot, mishandeld en bespuwd worden.(33)Zij zullen Hem geselen en ter dood brengen, maar op de derde dag zal Hij verrijzen.'(34)Zij begrepen er niets van; die uitspraak bleef hun duister, en wat Hij zei konden zij niet volgen.GENEZING VAN DE BLINDE IN JERICHO (35)Toen Jezus Jericho naderde, zat er langs de weg een blinde te bedelen.(36)Hij hoorde veel volk voorbijtrekken en vroeg wat er te doen was.(37)Men vertelde hem dat Jezus de Nazoreeër voorbijging.(38)Nu begon hij te roepen: 'Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!'(39)Die voorop liepen snauwden hem toe te zwijgen; maar hij riep nog veel harder: 'Zoon van David, heb medelijden met mij!'(40)Jezus bleef staan en gebood dat hij bij Hem gebracht zou worden. Toen de blinde naderbij gekomen was, vroeg Jezus hem:(41)'Wat wilt ge dat Ik voor u doe?' Hij antwoordde: 'Heer, maak dat ik zien kan!'(42)Jezus sprak tot hem: 'Word ziende! Uw geloof heeft u genezen.'(43)En terstond kon hij zien en volgde Hem, terwijl hij God verheerlijkte. Toen heel het volk dat zag, bracht het eer aan God.
(1)Dicebat autem parabolam ad illos, quoniam oportet semper orare et non deficere,(2)dicens: “ Iudex quidam erat in quadam civitate, qui Deum non timebat et hominem non reverebatur.(3)Vidua autem erat in civitate illa et veniebat ad eum dicens: “Vindica me de adversario meo”.(4)Et nolebat per multum tempus; post haec autem dixit intra se: “Etsi Deum non timeo nec hominem revereor,(5)tamen quia molesta est mihi haec vidua, vindicabo illam, ne in novissimo veniens suggillet me” ”.(6)Ait autem Dominus: “ Audite quid iudex iniquitatis dicit;(7)Deus autem non faciet vindictam electorum suorum clamantium ad se die ac nocte, et patientiam habebit in illis?(8)Dico vobis: Cito faciet vindictam illorum. Verumtamen Filius hominis veniens, putas, inveniet fidem in terra? ”.(9)Dixit autem et ad quosdam, qui in se confidebant tamquam iusti et aspernabantur ceteros, parabolam istam:(10)“ Duo homines ascenderunt in templum, ut orarent: unus pharisaeus et alter publicanus.(11)Pharisaeus stans haec apud se orabat: “Deus, gratias ago tibi, quia non sum sicut ceteri hominum, raptores, iniusti, adulteri, velut etiam hic publicanus;(12)ieiuno bis in sabbato, decimas do omnium, quae possideo”.(13)Et publicanus a longe stans nolebat nec oculos ad caelum levare, sed percutiebat pectus suum dicens: “Deus, propitius esto mihi peccatori”.(14)Dico vobis: Descendit hic iustificatus in domum suam ab illo. Quia omnis, qui se exaltat, humiliabitur; et, qui se humiliat, exaltabitur ”.(15)Afferebant autem ad illum et infantes, ut eos tangeret; quod cum viderent, discipuli increpabant illos.(16)Iesus autem convocans illos dixit: “ Sinite pueros venire ad me et nolite eos vetare; talium est enim regnum Dei.(17)Amen dico vobis: Quicumque non acceperit regnum Dei sicut puer, non intrabit in illud ”.(18)Et interrogavit eum quidam princeps dicens: “ Magister bone, quid faciens vitam aeternam possidebo? ”.(19)Dixit autem ei Iesus: “ Quid me dicis bonum? Nemo bonus nisi solus Deus.(20)Mandata nosti: non moechaberis, non occides, non furtum facies, non falsum testimonium dices, honora patrem tuum et matrem ”.(21)Qui ait: “ Haec omnia custodivi a iuventute ”.(22)Quo audito, Iesus ait ei: “ Adhuc unum tibi deest: omnia, quaecumque habes, vende et da pauperibus et habebis thesaurum in caelo: et veni, sequere me ”.(23)His ille auditis, contristatus est, quia dives erat valde.(24)Videns autem illum Iesus tristem factum dixit: “ Quam difficile, qui pecunias habent, in regnum Dei intrant.(25)Facilius est enim camelum per foramen acus transire, quam divitem intrare in regnum Dei ”.(26)Et dixerunt, qui audiebant: “ Et quis potest salvus fieri? ”.(27)Ait autem illis: “ Quae impossibilia sunt apud homi nes, possibilia sunt apud Deum ”.(28)Ait autem Petrus: “ Ecce nos dimisimus nostra et secuti sumus te ”.(29)Qui dixit eis: “ Amen dico vobis: Nemo est, qui reliquit domum aut uxorem aut fratres aut parentes aut filios propter regnum Dei,(30)et non recipiat multo plura in hoc tempore et in saeculo venturo vitam aeternam ”.(31)Assumpsit autem Duodecim et ait illis: “ Ecce ascendimus Ierusalem, et consummabuntur omnia, quae scripta sunt per Prophetas de Filio hominis:(32)tradetur enim gentibus et illudetur et contumeliis afficietur et conspuetur;(33)et, postquam flagellaverint, occident eum, et die tertia resurget ”.(34)Et ipsi nihil horum intellexerunt; et erat verbum istud absconditum ab eis, et non intellegebant, quae dicebantur.(35)Factum est autem, cum appropinquaret Iericho, caecus quidam sedebat secus viam mendicans.(36)Et cum audiret turbam praetereuntem, interrogabat quid hoc esset.(37)Dixerunt autem ei: “ Iesus Nazarenus transit ”.(38)Et clamavit dicens: “ Iesu, fili David, miserere mei! ”.(39)Et qui praeibant, increpabant eum, ut taceret; ipse vero multo magis clamabat: “ Fili David, miserere mei! ”.(40)Stans autem Iesus iussit illum adduci ad se. Et cum appropinquasset, interrogavit illum:(41)“ Quid tibi vis faciam? ”. At ille dixit: “ Domine, ut videam ”.(42)Et Iesus dixit illi: “ Respice! Fides tua te salvum fecit ”.(43)Et confestim vidit et sequebatur illum magnificans Deum. Et omnis plebs, ut vidit, dedit laudem Deo.