1Een bedevaartslied van Salamo. Uit afgronden roep ik U, Heer;  2hoor mij, Heer, ik blijf vragen. O, mocht uw oor het verstaan hoe ik schrei om erbarmen.  3Onthield Gij de schulden, o God, wie hield stand in uw oordeel?  4Doch vergeving is er bij U, want zó wilt Ge gevreesd zijn.  5Ik wacht de Heer, ik wacht Hèm, ik hoop op zijn belofte:  6stil verbeid ik de Heer, meer dan wachters de morgen, zij die wachten de morgen.  7Dat Israël wachte de Heer; want bij de Heer is genade, kwijtschelding bij Hem menigvuldig.  8Hij is het die Israël kwijtscheldt al wat het aan schuld heeft. 
1.
De profundis clamavi ad te, Domine;
 
2Domine, exaudi vocem meam.
Fiant aures tuae intendentes
in vocem deprecationis meae.
 
3Si iniquitates observaveris, Domine,
Domine, quis sustinebit?
 
4Quia apud te propitiatio est,
ut timeamus te.
 
5Sustinui te, Domine,
sustinuit anima mea in verbo eius;
speravit
 
6anima mea in Domino
magis quam custodes auroram.
Magis quam custodes auroram
 
7speret Israel in Domino,
quia apud Dominum misericordia,
et copiosa apud eum redemptio.
 
8Et ipse redimet Israel
ex omnibus iniquitatibus eius.