(1)Een bedevaartslied van Salamo. Uit afgronden roep ik U, Heer;(2)hoor mij, Heer, ik blijf vragen. O, mocht uw oor het verstaan hoe ik schrei om erbarmen.(3)Onthield Gij de schulden, o God, wie hield stand in uw oordeel?(4)Doch vergeving is er bij U, want zó wilt Ge gevreesd zijn.(5)Ik wacht de Heer, ik wacht Hèm, ik hoop op zijn belofte:(6)stil verbeid ik de Heer, meer dan wachters de morgen, zij die wachten de morgen.(7)Dat Israël wachte de Heer; want bij de Heer is genade, kwijtschelding bij Hem menigvuldig.(8)Hij is het die Israël kwijtscheldt al wat het aan schuld heeft.
(1). De profundis clamavi ad te, Domine;(2)Domine, exaudi vocem meam. Fiant aures tuae intendentes in vocem deprecationis meae.(3)Si iniquitates observaveris, Domine, Domine, quis sustinebit?(4)Quia apud te propitiatio est, ut timeamus te.(5)Sustinui te, Domine, sustinuit anima mea in verbo eius; speravit(6)anima mea in Domino magis quam custodes auroram. Magis quam custodes auroram(7)speret Israel in Domino, quia apud Dominum misericordia, et copiosa apud eum redemptio.(8)Et ipse redimet Israel ex omnibus iniquitatibus eius.